KDS/PDD/Bornavirus

Vandaag (maart 2013) hebben we heel veel nieuwe en goede informatie over KDS gekregen. Ik (Dorith) heb een uitgebreid en zeer prettig gesprek gehad met dokter Gerry Dorrestein. Hij is in Nederland dé autoriteit op het gebied van deze papegaaienziekte, waar hij al jarenlang intensief onderzoek naar pleegt. Hij leidt het NOIVBD (Nederlands Onderzoek Instituut voor Vogels en Bijzondere Dieren), dit is het enige laboratorium in Nederland waar KDS-testen worden uitgevoerd. Na alle ontwikkelingen van de laatste tijd hoog tijd om hem nadere informatie te vragen over allerlei aspecten van KDS, maar vooral hoe er praktisch gezien mee om te gaan. Het is een lang verhaal, maar er valt ook heel veel over te vertellen, omdat er sinds een paar jaar zeer veel onderzoek naar wordt gedaan waar belangrijke zaken worden ontdekt.

Dokter Dorrestein gaf om te beginnen aan dat er op heel veel plaatsen, vooral op facebook en sommige papegaaienwebsites, helaas onjuiste en onzinnige verhalen over KDS en de besmettelijkheid ervan worden geventileerd. Paniek zaaien, stemming maken, zondebokken zoeken is hierbij belangrijker dan het geven van de juiste en onderbouwde informatie. Mede op zijn verzoek besteden we als SVP dan ook graag aandacht aan de échte feiten en bevindingen rond deze ziekte.

Heb je een vogel die positief getest is op KDS, dan stort in eerste instantie je wereld in.  Het is belangrijk om te weten hoe je om moet gaan met een drager, dus een vogel die zelf (nog) niet ziek is. Die zijn er namelijk heel veel. Het virus is bekend en door middel van testen aan te tonen sinds 2008, dus nog maar enkele jaren. Dorrestein kent veel vogels die al vanaf 2008 drager zijn van het virus, maar al die jaren al op een goede manier hun leven leiden en ervan genieten, zonder last te hebben van ziekteverschijnselen. Dus lang niet alle positief geteste vogels worden ook daadwerkelijk zelf ziek. Ook de hoogte van de testuitslag, die varieert van negatief via a-specifiek, zwak positief, positief naar sterk positief, zegt niets over de vraag of en hoe snel de vogel ziek zal worden. Dus een “sterk positief” geteste vogel hoeft niet eerder ziek te worden dan een “zwak positieve” vogel. Die titer geeft daarvoor geen indicatie.

De besmettelijkheid van een positief geteste vogel, dat is met name het onderwerp waar heel veel spookverhalen de ronde over doen. Dokter Dorrestein geeft aan dat daarvoor geen reden is! Want het virus wordt NIET overgebracht door de lucht, door aanraking, door water- of voerbakjes. Alleen bij intensief lichamelijk contact tussen vogels, zoals paren of elkaar voeren of direct contact met ontlasting, kán er besmetting optreden. Kán, hoeft dus niet! Zelfs bij vogels die jarenlang bij elkaar in dezelfde kooi wonen, kan de ene vogel sterk positief getest worden en de andere negatief. Dus zo snel en makkelijk als wordt beweerd door sommigen, vindt die besmetting niet plaats. Voor ons bonte boertje Pippi, dat zwaar positief is getest maar niet ziek is (dus drager en besmettelijk), betekent dat dat ze bij ons kan blijven wonen. Weliswaar in de kamer van mijn dochter boven op de tweede verdieping, dus een eind verwijderd van de andere vogels die in de huiskamer op de begane grond wonen. Maar deze situatie is, in de woorden van Gerry Dorrestein “absoluut veilig”. Het spreekt vanzelf dat dochterlief natuurlijk dan wel even haar handen moet wassen als ze boven met Pippi bezig is geweest en daarna de vogels beneden gaat aanraken. Meer is niet nodig dan deze normale hygiënemaatregelen. Kleding wisselen, onder de douche gaan, dat soort verregaande maatregelen zijn volstrekt onnodig! Op deze manier kan een dragende vogel nog jarenlang een prima en fijn leven hebben, met leuke activiteiten en een wat aangepast dieet. Geen zaden of noten meer, omdat die wat moeilijk verteerbaar zijn. Maar wel pellets, fruit, groente, stoofpotjes en andere lichtverteerbaar voedsel naar hartelust, zoveel als ze wil.

Een besmette vogel draagt een virus bij zich dat zenuwen aantast, ook die in de hersenen. Dat betekent dat er een grote diversiteit van symptomen kan optreden, wanneer de vogel zelf ziek wordt van het virus dat hij meedraagt. Zenuwpijnen, blindheid, vreemd gedrag, plukken, coördinatieproblemen, evenwichtsstoornissen, allemaal verschijnselen die zich voor kúnnen doen. Alweer: kúnnen, het hoeft dus niet zo te verlopen. Ook vermagering is een serieus te nemen symptoom, maar dan is de vogel al erg ziek. Onderzoek naar hoe ver de ziekte eventueel al gevorderd is, is niet eenvoudig. Het maagdarmkanaal kan worden onderzocht, een verwijde kliermaag kan worden aangetoond, hier en daar wordt er geëxperimenteerd met functieonderzoeken naar organen. Maar het belangrijkste blijft om de vogel goed te observeren, hem te kunnen lezen, dus hem heel goed te kennen. Want dan vallen “vreemde” gedragingen of ziekteverschijnselen het snelst op. Met wisselend succes worden aan besmette vogels ontstekingsremmers toegediend, zoals metacam. Hiervan is het de bedoeling dat het ontstaan van ontstekingen zoveel mogelijk wordt tegengegaan, het kenmerk immers van KDS.

Als je een positief geteste vogel hebt, stort je wereld eerst in. Maar laat je niet gek maken door de niet onderbouwde paniekzaaierij vooral via internet! Want ook een vogel die drager is van het virus, kan nog een lange tijd een kwalitatief goed vrij en Vrolijk leven hebben. Door je eigen verstandige handelen hoeft je vogel daarbij ook geen (besmettings)risico te vormen voor andere vogels.

KDS/PDD/Bornavirus bij kleine kromsnavels

 

Op allerlei forums wordt er druk gespeculeerd en doen allerlei ongefundeerde verhalen de ronde over het risico dat kleinere kromsnavels al dan niet lopen om ook ziek of drager te worden van die om zich heen grijpende ziekte KDS/PDD. Omdat SVP graag van de hoed en de rand weet en liever niet op speculaties en indianenverhalen ingaat, hebben we informatie ingewonnen bij prof dr dr Gerry Dorrestein, dé veterinair patholoog in Nederland die zich al jarenlang vrijwel uitsluitend met onderzoek naar deze ziekte bezig houdt.Dorrestein gaf aan dat PDD/KDS bij kleinere kromsnavelsoorten als valk-, halsband-, goud-, alexander-, roodrugparkieten, pyrrhura’s e.d ook voorkomt. Alleen bij agaporniden en grasparkieten is de ziekte nog niet aangetroffen, maar bij alle andere grotere parkieten wel degelijk. Valkparkieten worden zelfs als testvogels gebruikt bij het onderzoek naar KDS/PDD. Alleen worden deze kleinere vogels veel minder vaak aangeboden voor onderzoek dan grote papegaaien! Dus er is veel minder over bekend en minder onderzoek naar gedaan. Maar het onderzoek dát er is gedaan toont aan, dat het virus wel degelijk ook bij grotere parkieten/kleine papegaaien is aangetroffen. Er is dus – helaas … – alle reden om ervan uit te gaan dat kleinere papegaaien en parkieten net zoveel risico lopen om ziek en/of drager te worden als grotere papegaaien.

Ook voor kleine vogels geldt dus dat testen op KDS/PDD van levensbelang is, omdat alleen dit helpt om de vicieuze cirkel van onderlinge besmetting te doorbreken. Stichting Vrolijke Papegaai adviseert dit dan ook met klem aan eigenaars van niet alleen grote, maar ook kleinere kromsnavels!